Als fotograaf en textielkunstenaar met jarenlange ervaring met enerzijds analoge als digitale technieken, top art, merk ik dat de samenvoeging van fotografie en textiel nieuwe manieren opent om narratieven te delen. In dit artikel bespreek ik specifieke inzichten, methodieken en referenties die je onmiddellijk kunt gebruiken, ongeacht of je net begint of al een persoonlijke praktijk bezit.
Lichtinval en contrast bij het drukken
De verlichting tijdens het afdrukken bepaalt hoe nauwkeurig de details op het textiel zichtbaar worden. Ik functioneer met een UV-lamp die ik op een constante afstand van 40 centimeter boven het doek zet. Te dichtbij veroorzaakt overbelichting en vlekken; te ver weg produceert een te subtiele overgang tussen lichte en donkere partijen.
Contrast is een volgende variabele. Een foto met hoge contrastwaarden kan op textiel te hard ogen, omdat de vezels het licht diffuus creëren. Ik verminder daarom het contrast met ongeveer 15 procent in de digitale bewerking voordat ik druk. Dat geeft een organischere overgang en voorkomt dat schaduwen volledig zwart worden.
Ik probeer altijd een strookje van 10 bij 30 centimeter met verschillende contrastwaarden. Op die strook noteer ik de exacte instellingen van de printer en de belichtingstijd. Zo bouw ik een referentietabel op die ik kan bekijken bij nieuwe projecten zonder telkens opnieuw te hoeven testen.
Het stikken als compositie-technisch middel
Het naaien is geen loutere afwerking maar een dynamisch element van de compositie. Door draden verschillende dikte te gebruiken, kan ik strepen toevoegen die de foto extra opdelen of juist verbinden. Bij een serie over migratiepatronen borduurde ik bijvoorbeeld subtiele rode lijnen over de foto’s heen, die de routes van vogels navolgden die ik eerder had gefotografeerd.
De steekrichting is essentieel. Een horizontale steek loopt mee met de richting van de weefseldraden en blijft vrijwel onzichtbaar. Een verticale of diagonale steek doorbreekt het patroon en trekt de aandacht. Ik gebruik daarom een samenspel van beide: de horizontale steek voor fijne aanpassingen en de diagonale steek voor markeringen die het verhaal benadrukken.
De kleur van de draad beslist of de naad samengaat met de foto of juist contrasteert. Bij een donkere foto kies ik een donkere draad zodat de steek uitsluitend te zien is als het licht schuin valt. Bij een lichte foto hanteer ik een contrasterende kleur om een extra laag toe te voegen die de toeschouwer aanspoort om dichter te naderen.
Opslag en opslag van hybride werken
Hybride werken van foto en textiel vereisen een andere bewaarwijze dan traditionele foto’s. Ik bewaar ze liggend in zuurvrije dozen met intermediaire vellen Tyvek. Tyvek is luchtig en voorkomt dat vocht zich ophoopt, terwijl het tegelijk stof en licht blokkeert.
Temperatuur en luchtvochtigheid moeten stabiel te worden gehouden. Een variatie van meer dan 5 graden Celsius per dag mag de lijm tussen foto en textiel aantasten. Ik controleer daarom de condities in de opslagruimte met een digitale hygrometer en noteer de waarden elke week. Bij afwijkingen regel ik de ventilatie aan of verplaats ik de dozen naar een andere ruimte.
Voor transport maak ik gebruik van een platte kist met schuimrubber aan de binnenkant. Het schuimrubber is gevormd in de vorm van het werk, zodat het niet kan bewegen. Op de buitenkant plak ik een label met de afmetingen en het gewicht, zodat de vervoerder weet dat het werk kwetsbaar is en liggend behoort te worden vervoerd.
Kiezen tussen digitale en analoge technieken
Digitale fotografie geeft spoed en herhaling, maar mist soms de tactiele kwaliteit die analoge opnames hebben. Ik werk daarom met een middenformaat camera voor de digitale reeks en een 4×5 inch camera voor de analoge reeks. De twee series worden later naast elkaar gelegd om te beslissen welke sfeer het beste past bij het textielproject.
Analoge film heeft een korrel die blijft zichtbaar na het printen op textiel. Die korrel kan een extra laag geven aan het verhaal. Bij een serie over industriële gebouwen combineerde ik bijvoorbeeld korrelige zwart-wit foto’s met grof geweven jute. De korrel intensiveerde het gevoel van ouderdom en slijtage dat het gebouw al uitstraalde.
Digitale technieken zijn echter onmisbaar als ik meerdere lagen wil combineren. Met Photoshop kan ik een foto eerst omzetten in een rasterpatroon dat doet denken aan een weefselstructuur. Dat raster print ik vervolgens op een dunne zijde die ik weer op een dikkere drager naai. Zo ontstaat een dubbele laag die zowel digitaal als handmatig tot stand is gekomen.
Voorbehandeling van het textieloppervlak
Eer een foto op textiel komt, moet het oppervlak worden voorbehandeld. Ik reinigt het doek eerst op 60 graden om alle appret te weg te nemen. Daarna breng ik een dunne laag polyurethaan aan die de inkt beter vasthoudt. Deze laag is transparant en verandert de kleur van het weefsel weinig, maar waarborgt dat de inkt niet door de draden heen loopt.
Het drogen geschiedt op een rekbare frame zodat het doek strak blijft. Als het frame te klein weegt, verschijnen er golven die later bij het printen voor onscherpte verantwoordelijk zijn. Ik meet daarom altijd de exacte afmetingen van het frame en schrijf die bij het bestand, zodat ik later precies weet hoe het doek zich heeft gedragen.
Een tweede voorbehandeling betreft het aanbrengen van een lichte primer op basis van acryl. Deze primer maakt het oppervlak iets gladder zonder de textuur helemaal weg te verwijderen. Bij fijne foto’s met veel detail, zoals macro-opnames van planten, merk ik dat de primer het contrast versterkt en de kleuren levendiger doet lijken.
De wisselwerking van licht en draadstructuur
Een foto die op textiel wordt geprint, verkrijgt een andere visuele laag doordat het licht via de draden terugkaatst en verspreidt. Het effect is nimmer exact identiek als op papier. Ik optioneer daarom steeds voor een proefafdruk op het uiteindelijke doek alvorens ik een fors werk produceer. Zo neem ik waar hoe de opbouw van linnen, katoen ofwel zijde het verschil en de kleurstelling verzachtend beïnvloedt of daarentegen versterkt.
Het licht dat op een weefseloppervlak schijnt, wijzigt per uur en per vertrek. In mijn atelier test ik daarom prints op uiteenlopende momenten van de dag. Een foto die bij de ochtend neutraal oogt, kan in de middag intenser worden door de zuidelijke lichtval. Door dit te registreren, ontwikkel ik een bescheiden lichtlogboek aan dat ik later kan raadplegen bij verse projecten.
Om de vezelstructuur zichtbaar te bewaren, gebruik ik een glansloze inktlaag eerder dan een glanzende afwerking coating. De matte laag verhindert dat het licht te veel reflecteert en laat de weefselstructuur van het weefsel ongeschonden. Dit is in het bijzonder cruciaal bij portretopnamen waarbij huidtextuur en kledijdetails een belangrijke rol vervullen.
Documentatie van het creatieve maakproces
Het registreren van het proces maakt het mogelijk om later terug te kijken op overwegingen die tijdens het maken zijn gemaakt. Ik fotografeer elke fase met een vaste camera-standaard en dezelfde lichtval. Zo komt er een serie die laat zien hoe een idee zich ontwikkelt van schets tot finale uitvoering.
De documentatie bevat ook gefaalde pogingen. Een print die te donker is of een naad die scheef valt, wordt tevens geregistreerd. Door deze fouten te bewaren, ontdek ik patronen in wat niet werkt en kan ik die in een volgend project voorkomen. Het verzameling van mislukkingen is vandaar even waardevol als het archief van goede stukken.
De documentatie ontwikkelt zich tot uiteindelijk op zich een creatie. Ik haal eruit een reeks procesfoto’s en druk af die op dun vel dat ik vervolgens op het uiteindelijke textielwerk bevestig. Zo wordt gecreëerd een dubbele dimensie waarin aan de ene kant het eindresultaat als de weg ernaartoe te zien blijft. Dit verschaft de beschouwer een blik in de complexiteit van het productieproces.